Motormuis. Wildwest-ondernemer. Handelaar. Avonturier. Boef. Wie googelt op de naam van Max Middelbosch (79) vindt een bonte verzameling aan typeringen die de eigenaar van het American Motorcycle Museum proberen te beschrijven. Onze conclusie? Deze kleurrijke ondernemer is allesbehalve in een hokje te stoppen. Zelf heeft hij daar ook helemaal niks mee. Zijn hele leven ging hij liever buiten de gebaande paden en volgde hij zijn eigen koers. “Spijt krijg je in het leven toch. Dan kun je beter spijt krijgen van de dingen die je wél hebt gedaan dan van alles wat je niet hebt gedaan.”
De Amerikaanse vlag wappert rustig in de wind. Op deze druilerige vrijdagochtend is het stil op het terrein van het motormuseum in Raalte. Zodra we door de karaktervolle deuren stappen, kondigt een belletje onze komst aan. Grote, houten balken sieren de ruimte en overal waar we kijken staan oude motorfietsen in allerlei kleuren, soorten en maten. Aan de muren hangen foto’s, posters en krantenknipsels. Achter het loket met de kassa verschijnt een dame die ons vragend aankijkt. Ans, de vrouw van Max, zo leren we later. “Je zoekt Max? Die is nog thuis. Zal ik even met je meelopen? Het is hierachter.” Ans leidt ons terug naar buiten en wijst naar de achterkant van het terrein. “Hier de hoek om en dan is het bij de grote, dubbele deur”, zo vertelt ze vriendelijk. De ingang valt niet te missen, want er staat een scootmobiel voor de deur geparkeerd. Max is niet zo goed ter been en hij kucht flink, dus hij schuifelt wat voorzichtig door de keuken terwijl hij een kop koffie inschenkt. “Het gaat allemaal niet meer zo snel”, zo zegt hij terwijl hij neerploft op een keukenstoel. Hij wijst naar de zuurstofcanule in zijn neus. “Ik heb COPD, maar na een kort motorritje ben ik daarbovenop ook wat ziek geworden. Het was toch wat te koud om in één dag van Italië naar Nederland te rijden…”
Max’ warrige grijze haren en zijn woeste baard geven hem een stoer voorkomen, maar zijn zachte ogen verraden het tegendeel. Hij heeft een klein hartje. Regelmatig siert een kleine grijns zijn gezicht. Zeker als hij vertelt over één van de véle avonturen die hij beleefde, de bijzondere mensen die hij ontmoette en de (regelmatig) bizarre situaties waarin hij terechtkwam. Max praat honderduit en zijn verhalen springen moeiteloos van het ene continent naar het andere. Als je hem een vraag stelt over zijn jeugd, kan het maar zo zijn dat hij al pratend terechtkomt in een verhaal over een motorrit dwars door Rusland. Om niet veel later via Argentinië en Korea weer in een nieuw avontuur te belanden. Het zegt alles over Max en zijn kleurrijke leven. “Saai was het inderdaad nooit”, zo lacht hij. “Toevallig ben ik de laatste tijd veel bezig met het inplakken van fotoboeken.” Hij knikt naar één van de boeken op tafel. Daarnaast staat een opbergbox vol oude foto’s, tijdschriften en krantenknipsels. “Dit is de laatste doos die ik nog moet, dus ik heb de laatste tijd veel herinneringen opgehaald. Zelf had ik er nooit zo bij stilgestaan, want voor mij was het doodnormaal. Ik stapte gewoon op die motor en reed dwars door Rusland naar Sint-Petersburg. Of ik nou in een hotel, tent of op de grond sliep; het maakte me niks uit. Nu ik het zo terugzie komt het besef pas; het was best bijzonder. Al die plekken waar ik geweest ben. Al die mensen die ik heb ontmoet. Eigenlijk krijg ik nu pas een beetje door wat ik allemaal heb gedaan en wat er in mijn leven allemaal is gebeurd.”
Handeltjes
In dat avontuurlijke leven van Max stond één ding altijd centraal: de liefde voor motoren. Die begon al in zijn jeugd. Max groeide op in Assen en dus waren motoren natuurlijk nooit ver weg. “Als kind stond ik bij de TT en dacht ik; dat wil ik later ook. Dat idee heb ik eigenlijk nooit meer losgelaten”, zo blikt Max daarop terug. “Ik kom uit een best arm milieu, waarin het hebben van een motor allesbehalve vanzelfsprekend was. Ik heb daarom altijd keihard gewerkt om een motorfiets te kunnen veroorloven.” Dat harde werken zat er sowieso wel in bij de familie Middelbosch. Max groeide op in Het Rode Dorp, een echte arbeiderswijk. Zijn vader werkte als uitvoerder. “Eigenlijk heb ik hem tot mijn zeventiende amper leren kennen. Hij werkte in de polder en daardoor was hij weinig thuis. Op zaterdagmiddag kwam hij met de trein terug, op zondagmiddag ging hij alweer weg.” Werken voor je geld was Max dus niet vreemd, maar tegelijkertijd kreeg hij het ondernemerschap en het handelen totaal niet mee vanuit huis. “Nee, mijn vader was allesbehalve een handelaar”, zo grinnikt hij. “En toch had ik altijd al de droom om voor mezelf te beginnen. Ik zag het nut van school daarom ook niet echt in, maar ik worstelde me er toch doorheen. Puur en alleen omdat ik dacht: áls ik ooit voor mezelf begin en het lukt niet, dan moet ik iets hebben om op terug te vallen. Daarom leerde ik braaf een vak en werd ik elektricien en loodgieter. Voor mij was dat altijd mijn duidelijke plan B. Eigen baas zijn, handelen. Dat wilde ik.” Max’ verhaal wordt onderbroken door het geluid van de antieke koekoeksklok die het uur slaat. Hij lijkt het amper te horen, want hij vertelt onverstoord door: “Ik denk dat ik het ondernemersbloed van mijn opa heb. Eigenlijk was hij een hele arme man, maar toch had hij altijd geld. Hij was een echte scharrelaar die in van alles rommelde. Van oud ijzer tot konijnen. Ik heb duidelijk diezelfde genen, want ook ik begon al jong met allerlei handeltjes.”
Creatief, zo kunnen we die handeltjes van Max gerust noemen. Hij vond het leuk om het spelletje te spelen, om steeds weer nieuwe kansen te zien en te pakken. Maar tegelijkertijd had hij ook al snel door dat dit dé manier was om wat extra geld te verdienen. “Ik had twee passies: motoren en reizen. Maar om iets van de wereld te kunnen zien, heb je natuurlijk geld nodig. Daar was ik me al snel van bewust en dus begon ik al jong met werken én handelen. Toen ik nog op school zat kocht ik bijvoorbeeld een groot stuk carbid. Die sloeg ik in allemaal kleinere stukken en verpakte ik in een oude krant om weer door te verkopen. Daarnaast wist ik een plekje waar salamanders zaten. Tussen de middag fietste ik naar dat slootje om ze te vangen en vervolgens te verkopen. Ik ving er zo’n tien tot vijftien per dag, dus dat was een prima handeltje. Op die manier verdiende ik voor mijn leeftijd al best wat.” Ook in de jaren die volgden pakte Max elk moment aan om een extra zakcentje te verdienen. Zo werkte hij in een fabriek, maakte hij schoon en stond hij op de markt. Wat voor een baantje hij ook had: tussendoor had hij er altijd wel een handeltje bij. “Alle tijd die ik had, stopte ik daarin”, zo knikt Max. “Op de zaterdagmarkt kocht ik bijvoorbeeld aan het eind van de dag alle overgebleven bloemen op. Voordat ik ging stappen, ging ik naar het ziekenhuis en verkocht ik daar de laatste bloemen.”Een bulderende lach vult de ruimte als Max daaraan terugdenkt. “Dat kun je vandaag de dag natuurlijk niet meer flikken, maar toentertijd stond ik gewoon met een emmer vol bloemen voor het ziekenhuis en verdiende ik een leuk extraatje. Uiteindelijk kocht ik voor 165 gulden mijn allereerste motorfiets bij een boer. Voor mij was dat toen heel bijzonder. Ik had natuurlijk nooit kunnen bedenken dat ik ooit een museum met ruim honderd motoren zou hebben. Dat is met de tijd zo gegroeid.”

Vrijheid
Max’ liefde voor motoren begon dan wel bij de racers van de TT, maar al snel ontdekte hij dat zijn hart vooral lag bij het rauwere imago van de Amerikaanse Harleys. “Die palingpakken op het circuit vond ik maar niks”, zo grijnst hij. “Ik liep altijd in een spijkerbroek, legerjack of leren jasje. Ik vond het heerlijk om buiten de gebaande paden te gaan en om een beetje tegen de maatschappij aan te schoppen. Ik voelde me daarom helemaal thuis bij de Harley- rijders. Samen trokken we eropuit. Doordeweeks keihard werken en op vrijdagavond de motorfiets op en naar een feestje met gelijkgestemden. Muziek. Biertje. Vuurtje. Of je nou stratenmaker was of bankdirecteur; er was geen verschil. We hadden allemaal een motorfiets en dus waren we allemaal hetzelfde. Iedereen mocht zijn wie hij wilde zijn, doen wat hij wilde doen. Zonder oordelen. Dat gevoel van vrijheid…” Max pauzeert even en lijkt na te denken. “Ja, daar hecht ik heel veel waarde aan. Nog altijd. Ik word niet graag in een hokje geplaatst. Dat mensen zeggen: dit mag niet, dat mag niet. Wij deden waar wij zin in hadden, maar we deden niemand kwaad. Toch waren er genoeg mensen die ons uitschot noemden. Ik werd gezien als losbol vanwege het leven dat ik leidde. Genoeg mensen hadden hun mening over mij klaar, maar ik heb wél altijd heel goed geleerd wat goed is en wat slecht. Ik zou nóóit iemand besodemieteren of kwaad doen. Het enige wat ik wilde was vrijheid.”
Die drang naar vrijheid en avontuur was bij Max altijd al aanwezig. Hij wilde eropuit met de motor, de wereld zien. En dat is dus precies wat hij deed. Vaak samen met zijn vrouw Ans, die hij al in zijn tienerjaren leerde kennen. Een ondeugende lach breekt door als hij terugdenkt aan hun eerste reizen. “In die jaren werkte ik nog voor een baas en dus had ik slechts veertien dagen vakantie in een jaar. Ik wilde langer weg. En dus ging ik elke keer als we op reis wilden naar mijn baas om ontslag te nemen. Hij helemaal kwaad natuurlijk, maar dat maakte me niet uit. Wij konden gaan. Zodra we terugkwamen klopte ik weer bij hem aan. ‘Heb je nog werk?’, vroeg ik dan. Ik wist namelijk heel goed dat hij altijd stond te springen om mensen. ‘Morgen beginnen’, zo zei hij dan steevast. Het zorgde ervoor dat Ans en ik vanaf dag één samen de wereld over zijn gegaan. Dwars door Afrika en van de ene kant van Australië naar de andere kant. En van Amerika en Iran tot aan het Oostblok.” Een flinke hoestbui klinkt en Max moet even op adem komen voordat hij verder kan vertellen. “Eigenlijk heeft de toenmalige DDR me altijd enorm geïnteresseerd. Als klein jochie had ik dat al. We leerden hier natuurlijk alles over deze kant, maar dat wakkerde bij mij juist een enorme nieuwsgierigheid aan over die andere kant. Want hoe zou het daar zijn? In de jaren zeventig was ik één van de eerste westerlingen die met een motorfiets de grens passeerde. Ze stonden met een mitrailleur voor mijn neus en even dacht ik: ‘Max, je bent gek. Waarom wil je hierheen?’ Maar ja, dat avontuur hè? Dat bleef me trekken. En dat bleek terecht, want ik heb een fantastische tijd gehad. Tuurlijk, het was een totaal andere wereld, maar iedereen was zo gastvrij en behulpzaam. Weet je, als je jong bent dan maak je een kampvuurtje, pak je een borreltje en heb je het gezellig. Je kan niet met iedereen praten, maar je kan wél met iedereen dansen. Of je nou met een Nederlands, Pools of Russisch meisje danst, dat gaat vanzelf. Toentertijd was dat allemaal politiek, maar daar had ik niks mee. Ik keek er met een open blik naar. Uiteindelijk zijn we allemaal mens en verlangen we allemaal naar dezelfde vrijheid.”

Vallen en opstaan
Die open blik op de wereld bracht Max niet alleen avontuur en vriendschappen over de hele wereld, maar ook handel. Hij bouwde een bedrijf op rond zijn interesses: oude motoren én antieke meubels. Overal waar hij kwam, zag hij kansen. “Ik was altijd op zoek naar dat ene pareltje dat ergens stond weggestopt in een vervallen schuur”, zo vertelt hij daarover. “Tegenwoordig zijn er honderden veilingsites, zie je online een foto en koop je op afstand. Maar toen kon dat natuurlijk niet. Alles wat ik kocht, had ik zelf ergens gevonden. Ik liep er toevallig tegenaan of ik sprak met mensen en werd getipt. Op den duur had ik wel wat vaste adresjes, maar het meeste ging gewoon op gevoel. Ik had er wel een goede neus voor denk ik.” Deze manier van leven bracht Max zijn gewenste vrijheid, maar tegelijkertijd ook onzekerheid. “De enige zekerheid in mijn leven was de onzekerheid”, zo klinkt het nuchter. “Er stond nooit iets vast. We gingen gewoon en zagen wel waar we uitkwamen. Als ik een week niks verkocht, dan aten we op zaterdag een speklap in plaats van een biefstuk. Zo heb ik altijd geleefd en zo leef ik nog steeds. Gewoon doen en dan zie je vanzelf wel of iets een goed idee was of niet. Spijt krijg je in het leven toch. Dan kun je beter spijt krijgen van de dingen die je wél hebt gedaan dan van alles wat je niet hebt gedaan. Dan maar een keer hard op je bek gaan. Dat is bij mij ook vaak genoeg gebeurd.”
Het ondernemersleven van Max was inderdaad niet alleen maar rozengeur en maneschijn. Hij kende ook genoeg tegenslagen. Klanten die failliet gingen, mensen die hem doelbewust belazerden en kopers die niet betaalden. “Ik denk dat ik in mijn leven wel een miljoen ben kwijtgeraakt”, zo zegt hij schouderophalend. “Elke keer begonnen we weer opnieuw. Raapten we de boel bij elkaar om verder te gaan. Ik heb de handdoek nooit in de ring gegooid, maar dat is vooral dankzij mijn vrouw. Zij zei altijd: ‘Max, kop omhoog en we kijken gewoon weer vooruit. Wij weten hoe het écht zit.’ Zij was er altijd, ook toen ik heel diep zat.”
Dieptepunt
Dat dieptepunt lag voor Max in de zogenoemde Tivoli-affaire. Dit bekende bedrijf in Raalte stond eind jaren negentig te koop en Max zag een mooie kans om daar een motormuseum te vestigen. “Ik zie mijn motorverzameling als mijn erfgoed. Ik zou het vreselijk vinden als het ooit zomaar ergens terecht zou komen. Ik wilde dat de echte liefhebber ervan zou kunnen genieten. En daarom begon ik dit museum. Als plek waar gelijkgestemden kunnen samenkomen. En dat is precies wat er gebeurt. Mensen van over de hele wereld komen hierheen en daarom wilde ik naast het museum ook een hotel en restaurant beginnen. Niet om te concurreren met zaken in het dorp, maar puur en alleen om mensen van heinde en verre een bed en een hapje te kunnen bieden. De horecaondernemers uit het dorp waren echter allesbehalve blij met mijn komst. Voor hen was ik een buitenstaander, een concurrent die ze liever zagen gaan dan komen. Sindsdien werden er allemaal verhalen over mij de wereld ingeslingerd. Ik was slecht, werd afgeschilderd als boef. Dat imago is altijd aan me blijven kleven, terwijl er nul bewijs was. Hoe ik daarmee omging? Ik vond het enorm onrechtvaardig. Zeker omdat ik heel goed weet dat ik altijd respect heb voor iedereen. Dat ik nooit iemand kwaad heb gedaan. Ik blijf het ongelofelijk vinden dat mensen van alles over je kunnen zeggen, maar dat je vervolgens nooit meer kunt bewijzen dat het niet zo is.”
Afgerond
Als je Max hoort praten dan merk je al snel dat dit hoofdstuk uit zijn leven nog altijd diep zit, maar tegelijkertijd maakt het hem allesbehalve zuur. “Ik weet dat er nog altijd veel meer goede mensen in de wereld zijn dan slechte”, zo zegt hij daar zelf over. Ook het boek dat vorig jaar over het leven van Max verscheen zorgde voor een ander perspectief. “De Tivoli-affaire kwam daarin ook voorbij en voor het eerst heb ik ook echt mijn kant van het verhaal kunnen vertellen. Ik merk dat dit me goed heeft gedaan. Ik heb het van me af kunnen praten en dat luchtte op. Wonden beginnen te helen.” Het boek bleek voor Max de perfecte manier om dit hoofdstuk af te sluiten en zich op de toekomst te focussen. De wereld overreizen zoals vroeger gaat dan wel niet meer, maar stilzitten kan hij absoluut niet. “Als ik iets kan kopen, dan laat ik dat zeker niet voorbijgaan. Waar kan, handel ik nog altijd graag. De hele dag door gaat de telefoon, mensen van over de hele wereld bellen me en ook in het museum komen heel veel verschillende nationaliteiten. Daar geniet ik enorm van. Ik ben blij met waar ik nu sta. Ik heb niet veel meer op mijn wensenlijst staan. Het enige wat ik wil is dat mijn kinderen het goed hebben. Daar zal ik alles voor doen. Maar voor mezelf? Nee. Ik ben een gelukkig mens. De wensen die ik had, heb ik allemaal uitgevoerd. Dat is hoe ik altijd heb geleefd.”

